i.s.m.
KULeuven
VUB
UGent
Hogeschool Antwerpen
Plantijn

Master-na-Master Handicapstudies/ gehandicaptenzorg

Start
Visie
Doelgroep
Doelen
Curriculum
Vakbeschrijvingen
Links
Contactinformatie
Praktische info

Vakbeschrijvingen

bullet

Module 1: Handicap, sociale en andere algemene thema's

bullet

Module 2: diagnostische & medische aspecten en evaluatie

bullet

Module 3: ADL ( activiteiten dagelijks leven)

bullet

Module 4: leer- en ontwikkelingsbevordering

bullet

Module 5: interdisciplinaire zorgseminaries

bullet

Module 6: wetenschappelijke onderzoek en thesis

bullet

Onderwijsvormen


Module 1: Handicap: algemeen      (9 stp)

De eerste module kadert het fenomeen handicap in een breder kader vanuit verschillende perspectieven: een historisch- antropologische context; een psychologische en belevingscontext; een ethische context en zingeving die te maken hebben met hoe men kijkt naar handicap en mensvisie; en een maatschappelijke context met aspecten van wetgeving en zorgorganisatie enerzijds, en ook de epidemiologie anderzijds. Ze hebben alle met elkaar te maken, het ene perspectief beïnvloedt het andere.

1. 1 Geschiedenis, evolutie van concepten, zorg en wetgeving (3stp)

1.1.1 Het begrip handicap doorheen de geschiedenis  (8u)

 Patrick Devlieger (KUL- Culturele en Sociale Antropologie), J. Lebeer (UA - Geneeskunde)  

In twee bijeenkomsten wordt het begrip handicap geplaatst in de context van wisselende definities doorheen de geschiedenis, met hun diepgaand effect op de aard en organisatie van attitudes, zorg en onderwijs, om te komen tot het “moderne” denken rond handicap zoals dat duidelijk wordt in de nieuwe sociale definitie van de Wereldgezondheidsorganisatie, de wereldwijde “inclusie” beweging, het Gelijke Kansen (Equal Opportunities) discours. De verschillende modellen (medisch, sociaal, cultureel) worden naast elkaar geplaatst. Mensen met een handicap worden niet langer als “deficiënt” gezien, maar als mensen met een objectieve lichamelijke beperking die deelname aan het gewone leven moeilijk maakt, maar die recht hebben op een volledige deelname.

1.1.2 Inleiding tot de Disability Studies (4u)

Gary Albrecht (University of Illinois at Chicago – Public Health/Disability and Human Development), P. Devlieger (KUL- Culturele en Sociale Anthropologie),

Hoe handicap bestudeerd wordt, hangt sterk af van de visie die men erop heeft. Vanuit de sociale antropologie en vanuit de “advocacy” bewegingen van mensen met een handicap zelf, ontstond in de zeventiger jaren van de vorige eeuw een nieuwe kijk op handicap en werden sociaal-psychologische en antropologische studies gedaan naar leefsituatie en beleving. De vragen komen hier van de mensen met een handicap zelf, die tegelijk onderzoeker en gebruiker zijn van de resultaten.

1.1.3 Handicap en wetgeving (8u)

F. Swennen (UA, Rechten), G. Loosveldt (KUL Rechtsfaculteit)

Twee seminaries waarin respectievelijk de rechtspositie van personen met een handicap wordt belicht, en verder ingegaan wordt op welzijnsrecht.  

1.1.4 Organisatie van de zorg (4u)

Jan Stevens (VFSIPH)

Deze leert de deelnemers wegwijs worden in de ingewikkelde puzzel van zorgvoorzieningen. Een bezoek aan het Vlaams Fonds voor de Integratie van Personen met een handicap staat op het programma.  

1.2. Verwerkingsprocessen, zingeving en ethische aspecten (3stp)

1.2.1 Verwerkingsprocessen, gezinsdynamiek, salutogenese (8u)

Jo Lebeer (UA-Geneeskunde)

Twee seminaries over het thema “beleving en verwerking”. Een handicap doorkruist het verwachtingspatroon van “normaliteit” en kan behoorlijk traumatiserend inwerken, niet alleen op de persoon, het kind, maar ook op de hele omgeving. Vanuit een live interview, en vanuit eigen belevingen, verkennen we dit hoogst individuele terrein waarin algemene processen kunnen herkend worden van heling en herstel op verschillende niveaus. Door deze processen te belichten vanuit een biopsychosociaal model van gezondheid en vanuit een salutogene kijk ( wat is iemands gezonde kant?) krijgt verwerking een ander perspectief. De bedoeling is dat hulpverleners inzicht krijgen in deze processen, en dat ze vooral leren om een respectvolle attitude voor de processen bij ouders en kinderen te ontwikkelen.

1.2.2 Hersenen en bewustzijn (4u)

J.Leilich (UA- Wijsbegeerte), J. Lebeer (UA-Geneeskunde) 

Ethische vragen, de attitude die men heeft t.a.v. mensen met een intellectuele handicap, de keuzes van behandelingen, worden ongewild sterk beïnvloed door het (meestal impliciete) model dat men hanteert over hersenen en bewustzijn. Reductionisme en determinisme (“we zijn niet anders dan een toevallig samenspel van neuronen) is meestal troef. Wat doet een dergelijk perspectief op de beslissingen die men neemt t.a.v. handicap? Zijn hersenen “niets anders dan”? Neurologie en wijsbegeerte ontmoeten elkaar in dit seminarie.

1.2.3 Ethische besliskunde (12u)

Jo Lebeer ( UA-Geneeskunde), C. Gastmans ( KUL- Centrum Biomedische Ethiek en Recht ), Y. Jacquemyn ( UA- Verloskunde)

Ethische beslissingen worden steeds moeilijker, in een tijd waarin technologie aan de ene kant toelaat om een toenemend aantal mensen ook met zware defecten in leven te houden, en aan de andere kant de prenatale diagnostiek toelaat om meer en meer defecten voor de geboorte op te sporen. Zal de drang naar “de perfecte mens” het in toenemende mate acceptabeler maken om ook mensen met defecten niet geboren te laten worden of vroegtijdig zorg te staken? Wat is het perspectief van de mensen met een handicap zelf? Wat is de invloed van beleving, van visie op handicap en levenskwaliteit, zingeving? Ethiek krijgt in deze opleiding dan ook een zwaar gewicht.

1. 3. Epidemiologie, oorzaken en preventie van handicap (3stp – 24 u)

P.Devlieger(KUL-Anthropologie), Y.Jacquemyn (UA-Gynecologie), B.Ceulemans (UA-Kinderneurologie), E. Van den Enden (ITG),  P. Van Damme (UA-Sociale Geneeskunde)

In dit onderdeel kijken we naar het voorkomen, spreiding en de evolutie van verschillende vormen van handicaps in de wereld. Het is belangrijk te weten hoe vaak iets ongeveer voorkomt en met wat dit te maken heeft. De voornaamste oorzaken van handicap worden kort besproken: incidenten gedurende de zwangerschap, en na de geboorte. De meest voorkomende “oorzaak” van handicap is nog steeds de (zwakke) socio-economische context, met zijn gevolgen op zwangerschap, infecties, voeding, cognitieve ontwikkeling. De student leert de complexiteit van de verbanden onderzoeken. In hoever verschillen oorzaken van handicap in welvarende landen en in de Derde Wereld. Wat is het aandeel van infecties? Welke oorzaken zijn te voorkomen? Enkele voorbeelden van vraagstellingen: wat is de impact van handicappreventie door b.v. voedingsmaatregelen zoals foliumzuur tijdens de zwangerschap? Wat voor impact heeft de invoering van vaccinaties? Hoe kunnen we omgaan met geruchten en vooroordelen?

Literatuur Module 1

Verplichte literatuur

Devlieger, P., Rusch, F. & D. Pfeiffer (eds.) (2003), Rethinking disability. The emergence of new definitions, concepts and communities Antwerpen: Garant Uitgevers  , ISBN: 9044113941 / Prijs: € 24,90

Oë, Kenzaburo (1996), Hikari groet de dingen. Kroniek van een genezend gezin.  Utrecht: Bijleveld

Lebeer J (1998) De bevrijding van Peter Pan: Innerlijke processen bij ethische, medisch-pedagogische en  wetenschappelijke vragen omtrent ontwikkelings belemmerde kinderen, Tijdschrift voor Orthopedagogie, Kinderpsychologie en Kinderpsychiatrie, 23 (4), 150-165

C. Loots, In verwachting van een gehandicapt kind. Zorgzaamheid rond  prenatale diagnostiek en selectieve abortus, in C. Gastmans & K. Dierickx (ed.), Ethiek in witte jas. Zorgzaam omgaan met het leven, Davidsfonds, Leuven, 2002, 26-48

Rose, S. (1998), Neurogenetic determinism and the new euphenics, British Medical Journal, 317: 1707-08

Rose, S. (1981), On the identity of Mind and Brain, Rivista di Biologia, 74, 87-98

Aanbevolen literatuur

Albrecht, G. , Seelman, K. Bury, M. (2001), Handbook of Disability Studies, New York:  Sage Publications Inc,

             Motivatie: dit is het standaardwerk over handicapstudies

Titchkosky Tanya(2003),  Disability, self, and society, Toronto: University of Toronto Press
Motivatie: Dit is een interessant boek omwille van zowel de persoonlijke context  van de auteur als de theoretische invalshoeken op handicap

G.N. Wilson and W.C. Cooley, Preventive management of children with congenital anomalies and syndromes, Cambridge University Press, ISBN 0 521 7763 2

 


Module 2: Diagnostiek & Evaluatie van handicap   
12 stp   

In de tweede module komen vooral de medische aspecten van handicap aan bod, noem het maar “ziektebeeld-leer”: diagnostiek, etiologie ( oorzaken), “behandeling”, d.w.z. de medische aspecten van behandeling. Het gaat over het eerste en tweede domein van de WHO trilogie impairment-disability-handicap. De “impairments” zijn de lichamelijke aandoeningen. De “disabilities” de functionele gevolgen hiervan. Kennis hierover is noodzakelijk, ook bij niet-medische beroepsgroepen. Medici hebben ook vaak slechts rudimentaire notie hiervan.

2.1. Ontwikkelingsstoornissen (4 stp 36 u)

P.Casaer (KUL), P.De Cock ( KUL), B.Ceulemans  (UA), D. Deboutte (UA), G. Van Goethem (UA), J.P. Fryns (KUL), G. Mortier & R. Van Coster (Ugent)

De voornaamste “syndromen” die leiden tot handicap bij kinderen worden hier besproken: centraal-motorische stoornissen,  ADHD en andere leerstoornissen, autismespectrumstoornissen, de “dysmorfologie” van congenitale syndromen, metabole ziekten. Het is niet zozeer de bedoeling om alle kennis hieromtrent door te geven, ten eerste omdat het onmogelijk is om dat in dit korte tijdsbestek te doen. Dat zou een specialisatie van 4 jaar vergen. Ten tweede is het niet de bedoeling van deze ManaMa om de deelspecialisaties te vervangen, van wat b.v. de kinderneuroloog-psychiater doet. Ten derde nemen we aan dat vele ManaMa cursisten al heel wat voorkennis op dit terrein hebben. Toch zullen er ook velen zijn die deze voorkennis nog niet hebben: b.v. de algemene artsen hebben nauwelijks wat in hun basisopleiding hierover gehad, de psychologen, pedagogen en bewegingsfysiotherapeuten  (kinesitherapeuten) hebben beperkte voorkennis, maar hebben dan weer weinig over de mentale handicaps gehad. In dit onderdeel kunnen zij dan op dit gebied de basiskennis verwerven. Er zal, zoals in alle andere onderdelen, wat verwachte competenties betreft, gedifferentieerd worden naargelang de beroepsgroep waartoe deelnemers behoren. Bijvoorbeeld zullen artsen in dit onderdeel aspecten van medicamenteuze en andere behandeling grondiger leren dan anderen. Zij zullen leren voorschrijven, want dat wordt hun taak. Bij andere beroepsgroepen zal het dan meer gaan om leren herkennen en  begrijpen. B.v. is het voor iedereen van belang om het wetenschappelijk denken rond autisme (genetica en neurofysiologische gegevens) te leren kennen, om een wetenschappelijk verantwoorde discussie te kunnen voeren rond het gebruik van Rilatine bij ADHD, om te weten dat het aantal chromosomale defecten en metabole problemen toeneemt, dat cerebrale parese een heel veelzijdig syndroom is waarbij het hersenletsel niet progressief is, maar het ziektebeeld wel.

Meer dan het doorgeven van basiskennis is dit onderdeel vooral bedoeld om te leren opzoeken en wetenschappelijk denken. In deze zin is het ook voor mensen die de meeste basiskennis al hebben vanuit hun vooropleiding (b.v. de neuropediaters en -psychiaters en orthopedagogen) zinvol om dit onderdeel te volgen.

2.2. Ontwikkelingsevaluatie

2.2.1 Ontwikkelingsschalen (2x 4u)

D. Deboutte (UA), P. De Cock  ( KUL)

Waarom gebruiken we ontwikkelingsschalen? Om de ontwikkeling van een kind te plaatsen in een zekere rangorde, in vergelijking met “gemiddelde leeftijdsgenoten”. In dit onderdeel maakt de student kennis met de voornaamste schalen om de ontwikkeling op motorisch, taal-, cognitief- en sociaal gebied te kunnen beoordelen. We zullen ook  praktisch ermee oefenen. Vandaar dat dit onderdeel doorgaat in een Centrum voor Ontwikkelingsstoornissen en Dienst Kinder- en Jeugdpsychiatrie Het is van belang dat de student de  onderliggende theorie van het tot stand komen van een schaal leert kennen en ze kan beoordelen op validiteit en betrouwbaarheid, maar ook kritisch kan relativeren.

2.2.2 Dynamische diagnostiek leervermogen (8u)

J. Lebeer (UA) 

Dit onderdeel biedt een introductie op theorie en praktijk van de dynamische evaluatie van ontwikkeling en leervermogen. Met dynamisch wordt bedoeld dat de onderzoekssituatie niet statisch is. Het dynamische karakter komt tot uiting in het verloop van het onderzoek en in het feit dat de onderzoeker  tussenbeide komt om het kind iets te leren, en daarna observeert wat de veranderingen zijn. De onderliggende idee is dat  de piekprestatie (onder invloed van de mediator – of onderzoeker) meer informatie geeft over mogelijkheden van ontwikkeling en leren, en dus ook een betere basis vormt voor orthopedagogische en onderwijskundige planning dan statische ontwikkelingsschalen. De verschillende methodes van dynamische evaluatie worden overlopen. Er is een live demonstratie. De student krijgt ook een opdracht Het valt wat buiten het hoofdzakelijk medisch karakter van deze module, maar het dynamische paradigma kan ook in functionele diagnostiek een voorbeeldfunctie ontwikkelen.

2.3. Functionele evaluatie

2.3.1. Functioneringsschalen  en ICF ( International Classification of Functioning) (12u)

P.Donceel ( KUL),

In dit onderdeel leert de student de medische en andere criteria kennen die gebruikt worden om uitkeringen of voordelen toe te kennen in verschillende sociale verzekeringen. Naast de bepaling van arbeidsongeschiktheid en ‘hulp van derden’ in de ziekteverzekering en bij arbeidsongevallen en beroepsziekten worden de toekenningsvoorwaarden voor de tegemoetkomingen voor personen met een handicap en voor verhoogde kinderbijslag besproken. Tevens maakt de student ook kennis met de ICF – international classification of functioning) van de Wereldgezondheidsorganisatie. Dit onderdeel verloopt in samenwerking met de ManaMa opleiding Verzekeringsgeneeskunde.

2.3.2 Diagnostiek van “mental disorders” (4u)

D. Deboutte & team (UA)

Aan de hand van de Diagnostic and Statistic Manual of Mental Disorders van de American Psychiatric Association leert de student de diagnose categoriseren ordenen en coderen, in 5 “ assen” en een functionele evaluatiescore maken ( de zgn. GAF-score of Global Assessment of Functioning), wat vaak nodig blijkt in evaluaties voor allerlei instanties. Eerder dan het puur invullen – voorbehouden aan psychiaters – komt het erop aan de logica en relativiteit ervan te begrijpen.

2.4 Sensoriële handicaps

2.4.1 Auditieve & taal handicaps (2x 4u)

M.De Bodt, P. Van de Heyning, P.Paquier (UA)

Het terrein van de auditieve en taalfunctiestoornissen is vanzelfsprekend te uitgebreid om dit in twee seminaries van een dagdeel te  omvatten. De bedoeling in deze module is een overzicht te geven van de diagnostische criteria van dysfatische ontwikkelingsstoornissen, de gehoorsdalingen en hun oorzaken. De eventuele behandelmogelijkheden worden dan weer  in module 3 besproken.

2.4.2 Visuele handicaps (2x 4u)

M.J.Tassignon, T. Coeckelbergh, E. Smets (UA)

In dit onderdeel komen de diagnostische kenmerken en oorzaken van visuele stoornissen bij centraal-motorische stoornissen aan bod, slechtziendheid en blindheid van andere cerebrale oorsprong en de voornaamste oogziekten die leiden tot een al dan niet blijvende handicap. Het is niet de bedoeling van de hele basisartscursus oogziekten te herhalen, dat kan niet in dit korte tijdbestek. Wel is het nodig dat iemand die met mensen met een visuele handicap werkt begrijpt welke hersen- en oculaire stoornissen hier aan de basis van liggen, wat de huidige stand van zaken is m.b.t. technische onderzoeksmethoden, zodat zowel nuttige indicatiestellingen kunnen gebeuren als een onderzoeksrapport kan begrepen worden, welke criteria gehanteerd worden om te besluiten tot visuele handicap. Daarnaast besteden we ook aandacht aan het adviseren van geschikte hulpmiddelen en de verschillende revalidatiemogelijkheden.

2.5  Neurofysiologie & medische beeldvorming

2.5.1 Medische beeldvorming ( 2x 4 u)

P.Parizel (UA)

Hier is het vooral de bedoeling om te komen tot verantwoorde indicatiestelling van medische beeldonderzoeken zoals magnetische resonantie, PET scans, echografie: wat kan men hieruit afleiden, wat niet . Het is niet de bedoeling om de beelden te kunnen interpreteren. Wel leren we de achtergrond van de beeldvorming kennen. Ook het belang en mogelijkheden van de EP (evoked potentials) en EEG’s worden besproken

2.5.2 Neurofysiologische aspecten & plasticiteit (4u)

E. Deschutter, J.Lebeer (UA) 

Het veld  van  de neurosciences is heel sterk in beweging; er gebeurt heel veel onderzoek. Plasticiteit van neuronen en hersenorganisatie is relevant in ontwikkeling en leren, zowel bij kinderen als volwassenen. In dit seminarie kan niet meer dan een overzicht worden gebracht, maar de student wordt ook aangemoedigd zelf ( in de literatuur) op zoek te gaan.

2.6. Medische aspecten handicap volwassen leeftijd

2.6.1 Neurodegeneratieve stoornissen (2x 4u)

P.Cras (UA)

Heel wat “neurodegeneratieve aandoeningen” geven aanleiding tot chronische functiebeperkingen. De voornaamste worden hier kort besproken, zoals b.v. M.S., ALS, Parkinson, dementie. De focus ligt op de medische aspecten van diagnose (criteria en welke onderzoeken), oorzaken en eventueel medische behandelingsmogelijkheden.

2.6.2. NAH (niet aangeboren hersenletsels) (2x 4u)

P.Cras (UA), P. De Deyn (UA)

Met NAH ( niet-aangeboren hersenletsels) worden de min of meer stabiele hersenfunctiestoornissen bedoeld die het gevolg zijn van hersenschade, zoals na coma ( door ongeval of andere oorzaken), hersenbloeding, tumoren.

2.6.3. Spier- en beenderstelsel handicaps (2x 4u)

G.Stassijns (UA)

Talrijke handicaps zijn het gevolg van al dan niet aangeboren afwijkingen en aandoeningen van spier- en beenderstelsel. De bedoeling van dit onderdeel is de voornaamste ziektebeelden bij kinderen en volwassenen te illustreren, hun oorzaken en behandelmogelijkheden.

2.6.4 Psychiatrische handicaps (3x 4u)

P.Cosyns (UA), B. Sabbe (UA) , J. Steyaert (KUL), P. Vancoillie & K. Beekmans ( CEPOS)

Chronische psychiatrische functiestoornissen vormen een echte handicap voor het individu, d.w.z. een rem tot deelname aan het maatschappelijke leven. Psychiatrische ziekenhuizen worden ook vaak geconfronteerd met een populatie volwassenen die eigenlijk vooral een cognitieve handicap hebben. Anderzijds treden er soms psychiatrische complicaties op bij mensen met andere handicaps. Er zijn natuurlijk ook de kinderen met ontwikkelingsstoornissen die volwassen worden en dan gewild of ongewild op psychiatrische hulp beroep doen. Verder is er nog de toenemende groep POS ( psycho-organische stoornissen) ten gevolge van trauma of andere oorzaken. We leren de kenmerken van deze “ziektebeelden” kennen, hun mogelijke oorzaken en medische behandelingen.

2.7. Genetische aspecten

2.7.1 Genetische counseling (12 u)

I.Liebaers (VUB), J.P. Fryns (KUL), G. Mortier (UG)

Dit onderdeel wil de basisaspecten uit de klinische genetica toelichten: soorten genetische aandoeningen, genetisch advies, genetisch onderzoek. Welke afwijkingen kunnen opgespoord worden? Welke methoden bestaan er voor prenatale opsporing? Wat is hun basis? Welke behandeling moeten stalen krijgen? Wat doet en kan een Centrum voor Menselijke Erfelijkheid ( en niet)? Wat betekent eigenlijk erfelijkheid, herhalingsrisico, optredingsrisico. Voor dit onderdeel is basiskennis genetica verondersteld gekend. Indien dit niet het geval is zal de docent een samenvattende literatuur opgeven voor zelfstudie. Als beroepsgerichte competentie geldt hier dat men moet weten welke laboratoriumonderzoeken kunnen aangevraagd worden. Voor het ontwikkelen van wetenschappelijke competentie op dit terrein leren we iets meer over het onderzoeksproces kennen: hoe komt men aan deze kennis? Welke onderzoekslijnen lopen er zo al?

 


Module 3: ADL (activiteiten dagelijks leven)   12 stp

3. 1. Voeding & uitscheiding

3. 1.1 Urogenitale aspecten, continentieproblematiek (2x 4u)

J.J. Wyndaele (UA), M. Van Winckel ( UGent)

Urogenitale en darmcontrole zijn vaak gestoord bij kinderen met ontwikkelingsstoornissen, niet alleen bij de specifieke aanlegafwijkingen zoals spina bifida, maar ook bij vele kinderen met mentale retardatie. In dit onderdeel leren we de verschillende zorg- en trainingssystemen kennen; de risico’s op infecties en andere complicaties. Meer info

3.1. 2 Mond- en tandverzorging  (4u)

Luc Martens (UG) 

Orthopedische afwijkingen en centraalmotorische stoornissen brengen meer risico’s mee op tandafwijkingen en bederf. Dit vergt vaak specifieke zorgbehoeften en aandacht voor preventie. De orthodontische mogelijkheden en onmogelijkheden worden kort belicht. Psychologische aspecten bij tandartsbezoeken worden besproken.

3.1.3 Voedings- en  dieetleer (2x 4u)

M. Van Winckel ( UG), Luc Van Gaal (UA)

Welke voedingsproblemen komen voor bij kinderen met een handicap, bij welke vormen van handicaps? Slikproblemen komen vaak voor.  Hoe kan de orale voeding maximaal bevorderd worden? Wanneer is een sondevoeding geïndiceerd? Wat is de plaats van een gastrostomie? Personen met een encephalopathie, hebben vaak secondaire stoornissen van de motoriek van het maag-darmstelsel. Wat zijn daarvan de tekenen? Hoe kan de diagnose gesteld worden? Hoe kan behandeld worden?

Dieetleer wordt ook in toenemende mate belangrijk in de zorg voor kinderen met een handicap, b.v. de preventie van obesitas bij kinderen met sommige syndromen ( vooral Prader-Willi syndroom en Syndroom van Down). Er zijn enkele syndromen waarbij een preventief dieet van kapitaal belang is voor de hersenontwikkeling, b.v. phenylalaninevrij dieet. Maar er ontstaan meer en meer hypothesen dat bepaalde voedingstekorten een rol spelen in het ontstaan van autisme, ADHD en ontwikkelingscoördinatiestoornissen. Het wetenschappelijk onderzoek hierover is niet éénduidig. Ouders attribueren soms vooruitgang in de ontwikkeling van hun kinderen aan het toedienen van bepaalde voedingssupplementen. Er circuleren allerlei theorieën hierover. De student leert deze hypothesen kritisch onderzoeken aan de hand van literatuurstudies.

3. 2 Mobiliteit

3.2.1 Motorische revalidatiemethodologieën  (12u)

J.Lebeer (UA), F.Ego, A. D'Hooghe & K.Van Malderen (HA); A.Vermeer (Utrecht)

Motorische revalidatiemethodologieën is een heel breed terrein. Er bestaan vele methoden “op de markt” en het veld is steeds in beweging.  In dit korte tijdsbestek kan het niet anders dan alleen een overzicht aan te bieden van methoden die erop gericht zijn de mobiliteit te verbeteren van kinderen en volwassenen met centraal zenuwstelsel bewegingsstoornissen. De student leert de verschillende basisvisies te vergelijken, daarbij ook het schema van de WHO volgend: methodes die gericht zijn op de “impairment” zoals spierversterking (b.v. electrostimulatie),  neuro-ontwikkelingsmethoden, meer functioneel gerichte methoden, meer pedagogische methoden zoals conductive education; contextueel gerichte methoden. De in onze landen minder bekende methoden komen ook aan bod. Bedoeling is hier vooral een kritisch-wetenschappelijke blik te verzoenen met een open pragmatisch-klinische observatie, het kunnen beoordelen van therapieresultaten en het ontwikkelen van geïndividualiseerde programma’s.

3.2.2 Orthopedische methoden & pro- en orthesenleer (12u)

G.Molenaers & K.Desloovere (KULeuven)

Het veld van orthopedische behandelingen en prothesen is ook constant in beweging (letterlijk en figuurlijk) en evenmin in 12 u samen te vatten. De focus ligt hier op wetenschappelijke studie van orthopedische interventies (inclusief de orthesen) bij kinderen met centraal-motorische stoornissen. Belangrijk is dat de student leert wat er bedoeld wordt met een bepaalde ingreep, wat de relevantie is, indicatie, evidentiegraad, implicaties voor zorg. Studenten leren ook wetenschappelijke literatuur opzoeken en interpreteren.

3.2.3 Biomechanische hulpmiddelen en omgeving (12 u)

V.Claes (UA)

Dit onderdeel vindt gedeeltelijk plaats in het Centrum voor Aangepaste Technologie voor Gehandicapten in het Laboratorium fysiologie van de Campus Middelheim van de UA. Bedoeling is enerzijds dat studenten kennismaken met de bestaande biomechanische mogelijkheden om mobiliteit te verhogen. We leren ook aan de hand van concrete casussen ( eventueel zelf ingebrachte) de databanken in eigen land en internationaal raadplegen. Er wordt ook enige creatieve inbreng verwacht in een groepsopdracht: aan de hand van een concrete situatie, de principes uittekenen van een geïndividualiseerde “oplossing” om mobiliteit te verbeteren, in samenwerking met ontwerpafdelingen van technische hogescholen en productontwikkeling. De studenten krijgen ook een ervaringsgerichte opdracht om de toegankelijkheid te bestuderen.

3.3  Communicatie

3.3.1 Spraak- en taalrevalidatie bij communicatieve handicap (12 u)

P.Paquier, M. De Bodt (UA), E. Manders (KUL)

Dit onderdeel biedt een overzicht op courant en minder courant gebruikte methoden van taalrevalidatie bij kinderen en volwassenen met taal- en spraakstoornissen. Hoe zet je een taalrevalidatieprogramma op, met wie, hoe frequent? Wat is de specificiteit en “evidentiegraad” van een bepaalde benadering?

3.3.2 Ondersteunde communicatie (8u)

M.De Bodt (UA), A. Courtejoie, D. Lembrechts (Modem)

Ondersteunde communicatie maakt gebruik van een waaier van (al dan niet) technische hulpmiddelen om te communiceren. Een hulpmiddel is b.v. het gebruik van gebaren. In het bijzonder zullen studenten kennismaken met computerprogramma’s die stem vervangen en/of spraakontwikkeling stimuleren, zoals MindExpress.

3.3.3 Gehoorsprotheses (4u)

P. Van de Heyning (UA)

Implantaten betekenen een ware revolutie voor het leven van mensen met een ernstige aangeboren doofheid. Wat houdt dit in, wat zijn de consequenties hiervan, wat voor revalidatie is nodig? Hoe beleeft iemand met een implantaat het horen? 

3.4. Wonen en werken

3.4.1 Woon- en werkvoorzieningen (8u)

B. Maes (KUL)

Er zijn allerlei initiatieven van woon- en werkvoorzieningen die gaan in de richting van participatie en inclusie in de samenleving. Studenten maken kennis met het bestaande aanbod, en brengen een bezoek aan innoverende locaties.

3.4.2. Persoonlijke financieringssystemen (4u)

J.Huys (KUL)

Kennismaking met gebruikers van een PAB ( Persoonlijk Assistentiebudget), waarbij de ervaring gekaderd wordt in een historische beweging van Independent Living.

3. 5. Relaties

3.5.1 Sociaal gedragsverwerving (16u)

D. Deboutte (UA), B. Sabbe (UA), J. Steyaert (KUL), H.Roeyers (UG)

Vanuit een toenemende participatie- en inclusiebeweging groeit ook de behoefte om sociaal “aangepast” gedrag te verwerven en aan te leren. Dat is voor kinderen en volwassenen met een zgn. “mentale” handicap of met een autisme-spectrumstoornis (ASD) vaak een heel moeizaam leerproces, in wezen niet verschillend van het socialiserende proces dat alle kinderen doorgaan. Vaak stellen kinderen en volwassenen met een ASD, in instituten of er buiten, de mensen die ermee werken en leven voor een ontzettende uitdaging. We bekijken dit vanuit een interactief perspectief.

3.5.2 Seksualiteit (4u)

J.J. Wyndaele (UA)

In dit seminarie zullen we de biologische en belevingsaspecten van seksualiteit van personen met een motorische handicap belichten. Mogelijk ook met een getuigenisverhaal. De aspecten van contraceptie worden besproken.


Module 4: Leer- en ontwikkelingsbevordering       6stp

4.1 Ontwikkelingsstimulatie

4.1.1 Ontwikkelingspsychologie (8u)

D. Deboutte & team

Een “afwijking” in ontwikkeling en gedrag kan maar begrepen worden vanuit een inzicht in de “normale” psychologische ontwikkeling van een kind.

4.1.2 Ontwikkelingsstimuleringsprogramma's (8u)

J. Lebeer, A. Desoete (UG)

De bedoeling van dit onderdeel is kritisch en open-minded ontwikkelingsprogramma’s te leren analyseren. Er bestaan zoveel  methodes die de ontwikkeling van kinderen met ontwikkelingsstoornissen te stimuleren, zodat het moeilijk wordt om door de bomen het bos te zien. Vaak liggen er bepaalde theorieën van aan de basis, die min of meer op empirie of evidentie zijn gebaseerd. Hulpverleners moeten leren de visies te herkennen, en daarbij ook eigen vooroordelen onder de loupe durven nemen. Nieuwe ontwikkelingen in plasticiteitonderzoek leiden tot vernieuwde visie op de ecologie van de cognitieve ontwikkeling, en tot nieuwe toepassingen of tot een vernieuwde visie op al lang bestaande toepassingen.

4.1.3 Community based rehabilitation CBR (8u)

A. Vermeer (Utrecht)  P.Devlieger (KUL)

De praktijk van de zorg voor mensen met een handicap in situaties van beperkte financiële mogelijkheden, en de ecologische visie op ontwikkeling, liggen aan de basis van de Community Based Rehabilitation, waarbij de locale gemeenschap wordt ingeschakeld in zorg. Dit is vooral een ontwikkeling in landen van de zgn. “Derde Wereld”, maar vindt ook in toenemende mate plaats in meer welvarende landen. In dit onderdeel leert de student de voordelen en moeilijkheden van dit concept onderzoeken, en komen mensen aan bod die hiermee ervaring hebben.

4.2. Neuropsychologische aspecten (16u)

 Neuropsychologische revalidatie

 P.Paquier (UA), G.Vingerhoets (UG), C. Andries (VUB)

4.3 Onderwijs

4.3.1 Buitengewoon onderwijs en inclusief onderwijs (12u)

G. Van Hove (UG), P. Ghesquiere ( KUL), A.Beine (HA), W. Stinkens,  P. Desimpelaere  & B.Schaepen( Pl)

In dit onderdeel zal de focus liggen op het geadapteerd onderwijs aan kinderen met een handicap, binnen het spanningsveld van buitengewoon onderwijs in aparte scholen, en de nieuwere beweging naar inclusief onderwijs, waarbij het kind met een handicap op een gewone school zit. Experimenten in binnen- en buitenland met inclusief onderwijs worden besproken. Ouders, leerling-  en leerkrachten-ervaringen komen aan bod.

4.3.2 Leerbevorderingsprogramma's (16u)

J.Lebeer, A. Desoete (UG), C. Andries (VUB)

Kan men intelligentie wezenlijk veranderen? Welke programma’s zijn er zo al in omloop? Zijn er programma’s die effectiever zijn dan andere voor b.v. dyslexie, dyscalculie en dyspraxie?


Module 5: Interdisciplinaire zorgplanning   6stp

5.1. Interdisciplinaire zorgplanning kinderen (5 dagdelen)

J.Lebeer, D.Deboutte, B.Ceulemans, P.Paquier, M.De Bodt, T. Van Havenbergh (UA), A.Beine (HA), W. Stinkens, P. Desimpelaere & B.Schraepen ( Pl), P. Devlieger ,  B.Maes & E. Manders (KUL)

In vijf bijeenkomsten gaan de cursisten “te velde”, d.w.z. op de plaats waar de zorg rond het kind zich ( tijdelijk) concentreert, telkens een of meerdere casussen van allerlei invalshoeken bekijken: medisch, orthopedagogisch, onderwijskundig, familiaal, etc. We zullen een diverse waaier aan probleemsituaties te bekijken, en op bezoek gaan in diverse zorgcentra, b.v. Revalidatiecentrum Pulderbos, ’t GielsBos (Beerse), Centrum Ontwikkelingsstoornissen, Universitair Ziekenhuis, revalidatiecentrum. Er wordt dan op de problematiek van een kind ingegaan, samen met het kind, behandelingsteam en ouders. De studenten krijgen dan de opdracht deze of een andere gelijkaardige casus verder uit te diepen, via literatuur- en/of veldstudie

5.2 Interdisciplinaire zorgplanning volwassenen(5 dagdelen)

G.Stassyns,  J.Lebeer, G.Van Goethem, P.Cras, J.J.Wyndaele, B.Sabbe (UA); , P. Devlieger & B. Maes (KUL), P.Vancoillie, K. Beekmans (CEPOS),

In vijf bijeenkomsten gaan de cursisten “te velde”, d.w.z. op de plaats waar de zorg rond de volwassene zich (al dan niet tijdelijk) concentreert, telkens een of meerdere casussen van allerlei invalshoeken bekijken: medisch, psychologisch, sociaal, familiaal, etc. We zullen een diverse waaier aan probleemsituaties te bekijken, en op bezoek gaan in diverse zorgcentra, b.v. een instelling voor volwassenen met mentale handicap, een centrum begeleid wonen, Universitair Ziekenhuis, revalidatiecentrum, CEPOS ( Centrum psycho-organische stoornissen). De studenten krijgen dan de opdracht deze of een andere casus verder uit te diepen, via literatuurstudie. Mensen met een handicap worden hier als mede-docent betrokken.


 Module 6: Wetenschappelijke onderzoek en masterproef 15stp

6.1 Methodologie

6.1.1 Statistische verwerkingsmethodes (4u)

M. Van Sprundel

Een review van de belangrijkste statistische begrippen die gebruikt worden in evidence-based wetenschappelijke artikels. Wat is b.v. een regressieanalyse? Een varimax rotatie? Het komt er niet op aan te kunnen goochelen met al deze termen, maar het is belangrijk  te begrijpen wat er achter zit, hoe men ertoe komt, en wat de interpretatie is.

6.1.2 Kwalitatieve onderzoeksmethodologie (4 u)

P. Van Royen (UA), E. Vermeire (UA), P. Devlieger (KUL)

De cursisten krijgen informatie over de methodologie van het kwalitatief onderzoek: het formuleren van  kwalitatieve onderzoeksvragen, het uitwerken van een onderzoeksprotocol, analyse en rapportering van kwalitatief onderzoek. We gaan ook verder in op de mogelijke toepassingen van het kwalitatief onderzoek binnen handicapstudies/gehandicaptenzorg en de specifieke problemen die dit meebrengt.

6.2 Masterproef

De student kiest vrij een onderwerp voor een masterproef, waarbij hij/zij aantoont dat hij een onderwerp wetenschappelijk en veelzijdig kan benaderen. Het moet gaan om origineel eigen onderzoek, aangevuld met literatuuronderzoek. Dat kan één of vele aspecten van handicap behandelen. Voor de ene kan de focus meer liggen op b.v. biochemisch of moleculair genetisch onderzoek; voor de andere kan de focus liggen op de studie van veranderingsprocessen in zorgorganisatie. Belangrijk is dat, zelfs al wordt een subspecialisatie onderwerp gekozen, de student dit kan kaderen binnen een omvattende interdisciplinaire benadering. De student kan een promotor kiezen uit één van de docenten, of zelfs iemand daarbuiten. De output wordt verwacht minimaal in de vorm van een geschreven rapport, al dan niet aangevuld met andere media. Het rapport moet in gedrukte vorm worden afgeleverd in 5 exemplaren. Electronische versies zijn niet voldoende. De kwaliteit is belangrijker dan de lengte: “in der Beschränkung zeigt sich der Meister”. Het kan gaan van een ( publiceerbaar) artikel van 5000 woorden tot een rapport van 50000 woorden. De criteria die ter beoordeling worden gehanteerd zijn zowel van wetenschappelijke aard als attitudevorming en visie, en zijn uiteraard gebaseerd op de eindcompetenties die werden geformuleerd. Meer informatie vademecum masterproef.

Onderwijsvormen

Klassieke hoorcolleges worden in deze Ma-na-Ma tot een minimum beperkt en afgewisseld met meer interactieve  onderwijsvormen, werk in kleine interdisciplinaire groepjes, opzoek-opdrachten en rapportering, practica voor vaardigheden,  zelfstandige studie met peer-tutoring, waarbij studenten elkaar bevragen en begeleiden. Flexibiliteit van werkvormen, in functie van het aantal studenten, het onderwerp en de plaats. Er wordt sterk de nadruk gelegd op actieve participatie. Er zal dan ook ervoor zorg worden gedragen dat mensen met een handicap zelf uitgebreid worden betrokken in het onderwijsgebeuren, niet als “studieobjecten” maar als deelnemers van het onderwijs.

In de toekomst zal samen met internationale partners een internationale zomerschool worden ingericht. Voor de eerste 2 academiejaren kan de student zelf met een voorstel komen en een gelijkstelling aanvragen.  

Start | Visie | Doelgroep | Doelen | Curriculum | Vakbeschrijvingen | Links | Contactinformatie | Praktische info

 © 2006 Faculteit Geneeskunde Universiteit Antwerpen.
Bij problemen met of vragen over dit web kunt u contact opnemen met[jo.lebeer@ua.ac.be].
Laatst bijgewerkt: 26 september 2006.